ATTENTIE: UPDATE CORONAVIRUS (COVID-19)
Vanaf 14 oktober zijn nieuwe maatregelen van kracht om het coronavirus in Nederland terug te dringen. Heeft u een afspraak staan? Dan wordt u gewoon verwacht. U mag alleen geen begeleider meenemen de kliniek in. Wij hebben alle noodzakelijke maatregelen getroffen om u zo veilig mogelijk in de kliniek te ontvangen. Wij heten u van harte welkom.

Lees hier het meest recente nieuwsbericht >>

De lens - past het brandpunt van het oog op korte afstand aan

De lens bevindt zich achter het regenboogvlies en is een van de lichtbrekende onderdelen van het oog. Hij heeft de vorm van een schijfje en hangt aan dunne draden die bevestigd zijn aan het straallichaam (corpus ciliare). De lens is doorzichtig en heeft geen zenuwen of bloedvaten. Hij wordt gevoed door het kamerwater van het oog.

Lens
Lens

Welke taak heeft de lens?

Als u ergens naar kijkt, komen er door de pupil lichtstralen in uw oog. Deze lichtstralen moeten op één en hetzelfde punt van het netvlies gebroken worden om een scherp beeld te verkrijgen. Als de lichtstralen niet op het netvlies gebroken worden, ontstaat er ook geen brandpunt; het voorwerp waar u naar kijkt, wordt dan wazig.

Het grootste deel van het licht wordt door het hoornvlies gebroken terwijl het zijn weg aflegt in het oog; de rest moet door de lens gebroken worden. De vorm van het hoornvlies is constant, maar de lens is elastisch en heeft het vermogen van vorm te veranderen om de breking van de lichtstralen aan te passen als we op korte afstand zien. Dit aanpassingsvermogen wordt “accommodatie” genoemd. De ringvormige spier in het straallichaam wordt gespannen en zorgt ervoor dat de draden verslappen. Daardoor trekt de elastische lens samen en wordt hij boller, waardoor het brekingsvermogen versterkt wordt. Op die manier kunnen de lichtstralen op in plaats van achter het netvlies gebroken worden; anders zou u op korte afstand wazig zien.

Ouderdomsverziendheid

Het accommodatievermogen van de lens neemt af met de leeftijd. Dit komt doordat hij verhardt en een groot deel van zijn elasticiteit verliest. Een minder elastische lens kan moeilijker van vorm veranderen om de lichtstralen voldoende te breken als we op korte afstand kijken. Dit wordt meestal merkbaar rond de leeftijd van 40 jaar en het betekent dat er ouderdomsverziendheid optreedt.